12 gouden regels voor een geslaagde aanplant van uw druivenplanten

1. Plan 3 jaar op voorhand

De technische beslissingen die de wijnbouwer neemt in verband met de aanplant, bindt de wijnbouwer voor meerdere jaren. Gezien de technische, kwalitatieve en economische aspecten, raden we aan om minstens 3 jaar van tevoren de aanplant voor te bereiden. Zo worden geen essentiële stappen die van belang zijn voor het succes van de wijnbouw verwaarloosd: bodemonderzoek, keuze van plantmateriaal, voorbereiding (pH-correctie door middel van bekalken) en bemesting van de bodem.

2. Kies het perceel op basis van een grondige bodemanalyse

Houd bij de keuze van het te beplanten perceel rekening met de hoogte, het hellingspercentage, de ligging (vorstgevoeligheid) en de blootstelling aan wind. Door eerst een profielput te graven krijgt u een idee welke grondlagen zich onder de bouwvoor bevinden. Hierbij zijn textuur (zand – leem – klei), vochtigheid (grondwatertafel) en structuur (al dan niet aanwezige verstoorde lagen) belangrijke informatie.

Een bodemanalyse per grondlaag kan helpen om te bepalen welke voedingselementen er al dan niet aanwezig zijn in de verschillende grondlagen. Het geeft u inzicht over de hoofdelementen, sporenelementen, pH en het organische stofgehalte.

Vermeld bij een bodemanalyse altijd dat het perceel voor wijnbouw bestemd is. Zo voorkomt u dat de bodemanalyse incompleet is of verkeerde adviezen worden gegeven. Een goede bodemanalyse bevat: grondsoort (zand – leem – klei), organische koolstofgehalte, kation uitwisselingscapaciteit, pH, totale stikstofvoorraad, calcium, kalium, fosfor, magnesium en natrium.

3. Bereid het perceel voor

Ga na of er drainage aanwezig is en in welke staat (oude drainage kan ondiep zitten, ver uit elkaar liggen of verstopt zijn). Indien er geen drainagemaatregelen aanwezig zijn of als deze niet aan de wensen voldoen, neem dan contact op met een goede drainagefirma.

4. Bemesting en mineralisatie voor een rijke voedingsbodem

Organische koolstof kan opgebouwd worden in de bodem door organisch te bemesten. Aan de hand van de bodemanalyse en een analyse van de te gebruiken organische mest kan u de nodige dosis bepalen om bodemtekorten aan te vullen. Houd hierbij steeds rekening met de plaatselijke geldende mestwetgeving (MAP-normen). Laat u begeleiden indien u over onvoldoende kennis beschikt.

Indien het nodig is om de bodem te bekalken en indien de omstandigheden dit toelaten, raden we aan om dit in het najaar of vroeg in het voorjaar te doen, vooraleer u start met de (organische) bemesting. Bekalk de bodem ten laatste 6 maanden voor de aanplant van uw druivenplanten. 

Na het al dan niet bekalken en bemesten van de bodem is het aangeraden om een rustjaar voor het perceel in te lassen. We doen dit door een groenbemester of een mengsel van meerdere groenbemesters in te zaaien. Het bevordert de bodemstructuur, het bodemleven en het organisch koolstofgehalte. Dit voorkomt erosie en wegspoelen van kostbare voedingsstoffen. Probeer te kiezen voor groenbemesters die vorstgevoelig zijn. Hierdoor bespaart u een spuitbeurt met herbicide het volgend voorjaar.

Bij het gebruik van groenbemestermengsels is het de bedoeling om verschillende voordelen van afzonderlijke planten te combineren. Combineer dus planten met een diep wortelgestel die storende lagen kunnen opheffen en planten met een fijn wortelgestel die de structuur in de bouwvoor verbeteren. Ook een combinatie met vlinderbloemigen valt aan te raden als de bodem bij de start arm is aan organische koolstof en stikstof. Het in de grond werken van de groenbemester en de meststoffen dient ondiep te gebeuren (max. 20cm) zodat de organische stof gemakkelijk kan mineraliseren onder aerobe omstandigheden.

Vermijd ploegen en frezen! Het zou zonde zijn om uw organisch materiaal van o.a. de groenbemester direct onder te ploegen waardoor geen homogene menging van de voedingselementen in de bodem plaatsvindt. Frezen werkt dan weer te fijn en heeft structuurschade tot gevolg.

5. Kies zorgvuldig de druivensoort, de kloon en de onderstam volgens de doelstelling van de wijnproductie

De aanpassing van druivenrassen, klonen en onderstammen aan de agronomische kenmerken van een bodem is een essentiële voorwaarde voor de harmonieuze ontwikkeling van de wijnstokken. Elke druivensoort wordt gekenmerkt door zijn technische (groeikracht, productiviteit en vroegrijpheid) en oenologische eigenschappen (alcoholisch, fenolisch en aromatisch potentieel).

De wijnbouwer moet zijn planten kweken op basis van de wijnbouwmogelijkheden van zijn grond en de wijn die hij wenst te produceren. Zo is de keuze van de onderstam essentieel voor een evenwichtige groeikracht en optimale kwaliteit. De onderstam moet voldoen aan twee doelstellingen: het overwinnen van de beperkingen van de bodem (magnesiumopname, droogte, enz.) en het optimaliseren van de productdoelstellingen (opbrengst/kwaliteit).

6. Bestel minimum 18 maanden op voorhand uw planten

Deze stap verliest men vaak uit het oog. Hoe vroeger u uw druivenplanten bestelt hoe groter de kans dat de combinatie van variëteit, kloon en onderstam nog beschikbaar is. De plantenkweker moet namelijk al meer dan een jaar bezig zijn met het enten en kweken van de planten alvorens deze in een wijngaard kunnen worden aangeplant.

7. Bereid de grond voor om het wortelstelsel van jonge planten te bevorderen

Het doel is om de fysische en chemische eigenschappen van de bodem te verbeteren, om voorwaarden te creëren die gunstig zijn voor de vorming van het wortelgestel van de jonge planten en voor een evenwichtige en harmonieuze ontwikkeling van volwassen wijnstokken.

In aanwezigheid van een compacte (overwegend kleitextuur) of verharde ondergrond (ijzerhoudende concreties), kan mechanische en diepe bodembewerking de porositeit van de bodem verbeteren en zo de ontwikkeling van het wortelstelsel bevorderen. Het gebruik van een diepgronder, erosieploeg of Actisol is hiervoor geschikt.

8. Start minstens één maand voor het planten met de laatste grondbewerkingen

Als u de groenbemester en de organische meststof één maand voor het planten inwerkt met een cultivator of schijveneg kan het bodemleven reeds starten met de afbraak van het organisch materiaal. Laat hierna de grond weer even rusten zodat het onkruid kan kiemen. Hierdoor ontstaat een vals zaaibed die u finaal ondiep kan bewerken met een rotorkopeg zodat u de groei van onkruid kan voorkomen. Op zwaardere gronden kan een extra bewerking met een kruimeleg nodig zijn vooraleer u kan planten.

De voorbereiding dient aangepast te worden naargelang de grondsoort. Bewerk de bodem niet als deze nog te nat is en gebruik geen te zware machines, dit zorgt namelijk voor verdichting van de grond.

9. Het planten van onderstam en ent

Het planten dient te gebeuren in ideale weersomstandigheden en na de ijsheiligen. Planten die uit de koelcel van de kweker komen, moeten minstens 48u acclimatiseren en dienen 24u op voorhand gerehydrateerd te worden alvorens u deze kan planten. Op dat moment kunnen wortels naar wens bijgesneden worden zodat deze gemakkelijker planten.

Bij het planten dient de ent ongeveer 5cm boven de grond uit te steken. Zit de ent te diep, kan deze de onderstam afstoten en zelf wortel schieten. Zit de ent te hoog en de wortels te ondiep, dan kan de plant gemakkelijker uitdrogen. Let erop dat u steeds de grond goed aandrukt zodat de wortels maximaal in contact komen met de bodem en het bodemvocht. Het planten van klassieke planten met blote wortel kan vanaf half april tot einde mei.

10. Voorkom droogtestress

De jonge druivenplant heeft nog geen ontwikkeld wortelgestel en kan daardoor niet zo goed water opnemen. Gebrek aan water remt de wortelontwikkeling en de groei van de jonge plant. Hierdoor kan deze uitdrogen. Is de grond vrij droog, mag u de druivenplanten tot 5 liter water geven tijdens het planten. Indien de bodem droog blijft mag u enkele weken later nogmaals bijwateren. Hoe lager het organisch koolstofgehalte en hoe groter het zandgehalte in de bodem, hoe moeilijker de grond water vasthoudt en hoe meer deze moet bijgewaterd worden. Bij droog, warm weer kan het zijn dat 2 waterbeurten onvoldoende zijn. Wacht niet tot u de eerste droogtestress ziet optreden om bij te wateren. Let er wel op dat u de druivenplanten geen water geeft in volle zon.

11. Voorkom waterstress

Om de verticale groei van het wortelstelsel te bevorderen, moet de groei van onkruid beperkt worden. Deze bestrijding gebeurt bij voorkeur mechanisch. Het zorgt voor een goede beluchting van de grond en een betere verticale wortelontwikkeling wat het risico op waterstress vermindert. Werk bij voorkeur oppervlakkig met de schoffel en niet te nat. Dit voorkomt verstikking van de wortels en versmering van de grond, in tegenstelling tot roterende machines die de grond kunnen verdichten.

Jonge druivenplanten zijn kwetsbaar voor harde wintervorst. Het is aangewezen om tijdens de eerste winter de entplaats tegen de kou te beschermen door deze aan te aarden.

Chemische onkruidbestrijding en gesloten plastic kokers moet worden vermeden omdat de plastic kokers een serre-effect creëren. Dit is schadelijk voor de groei van de plant en bevordert slakkenvraat.

12. Bescherm jonge druivenplanten tegen ziekten

De bladeren van jonge planten zijn zeer vatbaar voor schimmelziekten. Optimaliseer steeds de behandelingen tegen echte & valse meeldauw volgens de ziektedruk. Door de druivenplanten tot laat in het seizoen te beschermen kan schade door valse meeldauw voorkomen worden, ook na de oogst. Deze ziekten veroorzaken namelijk schade aan de bladeren, waardoor de planten in het najaar niet genoeg reserves kunnen aanleggen voor het volgende jaar. Onvoldoende aanleg van reserves in het hout verhoogt de gevoeligheid voor winter- en lentevorst en verhoogt de ziektedruk in het voorjaar.

Geef de planten tijd om zich goed te ontwikkelen

Bij het snoeien moeten verschillende principes worden gerespecteerd. Zo is het essentieel om de plant niet te snel te zwaar te belasten: respecteer de leeftijd en de vitaliteit van de druivenplant. Maak de jonge stam niet te hoog en controleer de inplanting van de scheut, deze bevindt zich liefst zo dicht mogelijk bij het entpunt, dient zo recht mogelijk te zijn en heeft liefst geen te lange internodiën.